de boom

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [bom]
Verbuigingen:  bomen (meerv.)

1) een stam met takken plantkunde
Voorbeelden:  `beukenbomen`,
`kerstboom`
een boom van een vent  (een heel grote man)
hoge bomen vangen veel wind  (mensen met een hoge functie krijgen veel kritiek)

2)
een boom opzetten  (een uitvoerig gesprek beginnen)

© Kernerman Dictionaries.

Spreekwoorden en zegswijzen
• waar de boom gevallen is, blijft hij liggen. (=gedane zaken nemen geen keer.)
• op de boom verkopen (=boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn)
• men moet de boom buigen als die jong is. (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)
• een dood paard aan een boom binden. (=overdreven voorzichtig zijn.)
• een boom van een kerel. (=een grote man.)
Toon alle 10 spreekwoorden die boom bevatten

Intensiveringen
Hoe kun je met boom een ander begrip versterken?
omdraaien als een blad aan de boom; boomlang; boomsterk; een boom van een kerel; een boom van een vent;

25 definities op Encyclo
  1. [ bouwkundige termen] Boom, ook wel trapboom, is de naam voor de zijkant van een trap waar de treden op steunen. Wanneer de treden volledig binnen de boom steunen wordt g...
  2. Een grote plant met een houtige stengel, met een onvertakt stamstuk of hoofdstam onder de vertakte kruin. Meer info over fruitbomen: zie Fruit ABC
  3. Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie, het plukze-bureau van het OM.
  4. grens, bodem, grondslag
  5. Spectaculaire groei.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met boom:
boomachtigboombastboombladboomblauwtjeboomboaboomboa'sboomboorboomchirurgboomchirurgieboomdeboomdenboomdiagramboomenboomfruitboomgaardboomgaardenboomgrensboomgroepboomheiboomhut
Toon alle woorden die beginnen met boom

Deze woorden eindigen op boom:
appelboombananenboombeukenboomcacaoboomdenneboomdennenboomdwarsboomhefboomkersenboomkerstboomklapperboomloofboomsinaasappelboomrubberboomnaaldboomolijfboomvruchtboomlevensboompalmboomkastanjeboom
Toon alle woorden die eindigen op boom

Herkomst volgens etymologiebank.nl
boom in de uitdrukking van de hoge boom (af teren)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `boom`.