bliek als dialectwoord
voorn (Knesselaars)   Bleek (grasveldje) (Hoogeveens)   blei (Brakels (gld))   betoon (Westerkwartiers)   bewijs (Westerkwartiers)   bleek (Overpelts)  
Toon alle 15 dialectwoorden

Spreekwoorden en zegswijzen
• een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je met bliek een ander begrip versterken?
gezond als een bliek;

8 definities op Encyclo
  • Def.: jonge haring.
  • 1) Zoetwatervis 2) Vis 3) Jonge haring 4) Visje 5) Eenjarige haring 6) Beenvis 7) Blei 8) Witvis 9) Sprot 10) Karperachtige vis 11) Riviervis 12) Karperachtige 13) Karper
  • 1> plaatselijke benaming voor éénjarige haring. 2> bepaalde zoetwater vis; een karperachtige.
  • beenvis Jaar van herkomst: 1291 (CG I Oudenaarde )
  • De bliek of beter bekend als de kolblei, is een vis die veel verwarring schept bij zijn visser. Er bestaan vele synoniemen zoals: blei, bliek, kalfoog, kol, kolfoog, kolbliek, koloog, platje, platter, puiloog, pijloog. Het diertje heeft namelijk net zoals zijn collega de brasem een hellende rug. Hierdoor kan ...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op bliek:
publiekrepubliekvolksrepubliekzondagspubliekvoetbalpubliekuitgaanspubliekthuispubliektheaterpubliekstudiopubliekradenrepubliekmiljoenenpublieklezerspubliekfilmpubliekfestivalpubliekdoelpubliekdeelrepubliekbondsrepubliekboerenrepubliekbioscooppubliekbananenrepubliek

Herkomst volgens etymologiebank.nl
bliek (vis)

Op andere websites
Zoek bliek in het Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek bliek op Google
Zoek bliek op Woordenlijst.org
Zoek bliek in de woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek bliek op Wikipedia