de binnenbocht

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  ['bɪnə(n)bɔxt]
Verbuigingen:  binnenbocht|en (meerv.)

1) binnenkant van de bocht waar de draai het scherpst en het kortst is
Voorbeelden:  `de binnenbocht van een schaatsbaan`,
`De automobilist nam de binnenbocht en kwam op de verkeerde weghelft.`,
`de binnenbocht van een rivier`
Antoniem:  buitenbocht

2) gebogen hulpstuk voor de binnenkant van de bocht van een leiding, afwerkingsrand technisch

© Kernerman Dictionaries.