beregelen

werkw.
Uitspraak:  [bə'rexələ(n)]
Vervoegingen:  beregelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft beregeld (volt.deelw.)

regels (2) afspreken of opleggen
Voorbeelden:  `Je kunt niet alle taalvarianten beregelen.`,
`het beregelen van omgangsvormen`

© Kernerman Dictionaries.

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 45% van de Nederlanders en 49% van de Vlamingen het woord `beregelen`.