benijden

werkw.
Uitspraak:  [bəˈnɛidə(n)]
Vervoegingen:  benijdde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft benijd (volt.deelw.)

graag (iets) willen wat een ander heeft of is;
jaloers zijn op
Voorbeelden:  `iemand benijden om zijn geluk`,
`beter benijd dan beklaagd`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afgunstig zijn

Taaladvies
  1. Wat is de verleden tijd van benijden: benijdde of beneed? Zie Benijden - beneed / benijdde
  2. Schrijf je benijden met ei of ij? Zie benijden / beneiden


2 definities op Encyclo
  • •wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft.
  • jaloers zijn Jaar van herkomst: 1265-1270 (CG Lut.K )
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met benijden:
    benijdenswaardbenijdenswaardig

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    benijden (jaloers zijn)