allemaal

pronoun
Uitspraak:  ɑləmal]

1) alles of allen, iedereen
Voorbeelden:  `De kinderen moeten allemaal tegelijk beginnen.`,
`je boeken allemaal weggeven`

2) (bijna) niets anders dan
Voorbeelden:  `Allemaal vliegen op mijn bord!`,
`Er ligt allemaal rommel op straat.`
Synoniem:  een heleboel

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
al alle allen alles een heleboel elk elkeen ieder iedereen iegelijk

Spreekwoorden en zegswijzen
• ze niet allemaal (alle vijf) op een rijtje hebben. (=niet bij zijn volle verstand zijn. (alle vijf = de zintuigen))
Naar de spreekwoorden

5 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bijwoord] = ALTEMAAL. *...MAN, vnw. iedereen, de geheele wereld; jan en -, het gemeene volk, de massa; dat is niet -s gading, iederee...
  2. de hele groep vb: jullie mogen allemaal mee Synoniem: allen zonder uitzondering vb: ik heb de dropjes allemaal opgegeten
  3. •"als bepaling van gesteldheid": in zijn geheel, zonder uitzondering
  4. 1) Al 2) Al te zamen 3) Algeheel 4) Alle 5) Allen 6) Allen tezamen 7) Alles 8) Alles te samen 9) Compleet 10) Een heleboel 11) Elk 12) Elkeen 13) Geen uitgezonderd 14) Ge...
  5. onbepaald voornaamwoord Jaar van herkomst: 1287 (CG NatBl )
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `allemaal`.