afvaardigen

werkw.
Uitspraak:  ɑfardəxə(n)]
Vervoegingen:  vaardigde af (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft afgevaardigd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

(iemand) als vertegenwoordiger van een groep sturen
Voorbeelden:  `twee personeelsleden afvaardigen naar een landelijke commissie`,
`Nederland mag drie schaatsers afvaardigen voor de wereldkampioenschappen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
delegeren deputeren

5 definities op Encyclo
  1. • [ov] iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat.
  2. iem. zenden en machtigen Jaar van herkomst: 1580 (WNT Suppl )
  3. iemand een groep mensen laten vertegenwoordigen vb: wij vaardigden Pim af om met de burgemeester te gaan praten
  4. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] (ik vaardigde af, heb afgevaardigd), vaardig maken en afzenden; (iem.) naar eene vergadering af...
  5. 1) Als gezant zenden 2) Delegeren 3) Deputeren
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
afvaardigen (zenden)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 100% van de Vlamingen het woord `afvaardigen`.