afvaardigen

werkw.
Uitspraak:  ɑfardəxə(n)]
Vervoegingen:  vaardigde af (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft afgevaardigd (volt.deelw.)

(iemand) als vertegenwoordiger van een groep sturen
Voorbeelden:  `twee personeelsleden afvaardigen naar een landelijke commissie`,
`Nederland mag drie schaatsers afvaardigen voor de wereldkampioenschappen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
delegeren deputeren

4 definities op Encyclo
  • • [ov] iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat.
  • iemand een groep mensen laten vertegenwoordigen vb: wij vaardigden Pim af om met de burgemeester te gaan praten
  • 1) Als gezant zenden 2) Delegeren 3) Deputeren
  • iem. zenden en machtigen Jaar van herkomst: 1580 (WNT Suppl )
  • Toon uitgebreidere definities

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    afvaardigen (zenden)