afstappen

werkw.
Uitspraak:  ['ɑfstɑpə(n)]
Vervoegingen:  stapte af (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is afgestapt (volt.deelw.)

1) naar beneden stappen
Voorbeeld:  `van je fiets afstappen`
Antoniem:  opstappen

2)
op iemand afstappen  (naar iemand toelopen) `op een onbekend meisje afstappen`

3)
afstappen van  (niet door laten gaan) `afstappen van een plan` Synoniem: afzien van, laten varen

4) uitstappen (bij een halte)
Voorbeeld:  `de chauffeur groeten als je afstapt`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afdalen afzien afzien van omlaagstappen opstappen (antoniem)

4 definities op Encyclo
  • van de fiets of brommer af komen vb: hij stapte af voor de grote helling een idee loslaten vb: hij is van dat plan afgestapt
  • [Belgisch Nederlands] 1. opstappen, weggaan 2. uitstappen (bus, trein, e.d.)
  • 1) Afdalen 2) Afstijgen 3) Afzien 4) Omlaagstappen 5) Opgeven 6) Uitscheiden 7) Van de fiets gaan
  • Vallen met de motorfiets.
  • Toon uitgebreidere definities