• onder de bezem getrouwd zijn (=ongetrouwd samenwonen) • nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring) • een adder aan zijn borst/boezem koesteren (=iets doen voor een ondankbaar iemand) • de hand in eigen boezem steken (=zijn eigen fout inzien) • de bezem uitsteken (=doen en laten wat men wil als de baas of leidinggevende er niet is) Toon alle 6 spreekwoorden die Zem bevatten