• vlinders in zijn buik hebben (=verliefd zijn) • van je buik een afgod maken (=belang hechten aan lekker eten en drinken) • twee handen op één buik zijn (=het altijd met elkaar eens zijn) • twee handen op een buik (=ze werken samen, ze denken er hetzelfde over) • schrijf het maar op je buik (dan kan je het met je hemd weer uitvegen) (=vergeet het maar) Toon alle 16 spreekwoorden die buik bevatten