Spreekwoorden met `schi`

Zoek


88 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `schi`

  1. aan het lijf schieten (=haastig aantrekken (kleding))
  2. achter de wolken schijnt de zon (=alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna wordt het beter)
  3. afwijzend beschikken op (=het verzoek weigeren)
  4. al zijn patronen verschieten (=alle mogelijkheden uitproberen)
  5. alle baat helpt zei de schipper, en hij blies in het zeil (=alle beetjes helpen)
  6. als `t schip zinkt dan zinkt ook de lading (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt)
  7. als de maan vol is schijnt ze overal (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien)
  8. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  9. als paddenstoelen uit de grond schieten (=snel en in grote massa tevoorschijn komen)
  10. daar komt een schip met zure appels (=daar komt een stevige regenbui aan)
  11. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  12. dat hangt als een schijthuis boven de gracht (=dat is overduidelijk)
  13. de duivel schijt altijd op de grootste hoop (=het ongeluk treft meestal degenen die al in moeilijkheden verkeren.)
  14. de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelschieten)
  15. de mens wikt, maar God beschikt (=de mensen maken allerlei plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt)
  16. de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
  17. de wal keert het schip (=door beperkingen enigerlei niet verder kunnen)
  18. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  19. de zon niet in het water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  20. een appeltje met iemand te schillen hebben (=nog een vervelend onderwerp met iemand te bepraten hebben)
  21. een blinde schiet soms wel eens een kraai. (=zelfs iemand die niet erg bedreven is heeft soms geluk en doet iets goed)
  22. een bok schieten (=een grote fout begaan of zich lelijk vergissen)
  23. een dag is nooit zo nat of de zon schijnt altijd wat (=ook bij nare situaties zijn er lichtpuntjes)
  24. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  25. een kleine aardappel moet je niet schillen (=aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  26. een schip op het strand is een baken in zee (=van de fouten die anderen hebben gemaakt kun je zelf veel leren)
  27. een verschil van dag en nacht. (=een heel groot verschil.)
  28. er dienen geen twee masten op een schip (=er kan er maar één het bevel voeren)
  29. er is geen rooi mee te schieten (=je kan er niets mee aanvangen)
  30. er is maar een grote mast op een schip (=er is er maar één de baas)
  31. geen twee kapiteins op één schip (=er moet maar één persoon de leiding hebben, anders gaat het niet goed)
  32. goedschiks of kwaadschiks (=met of tegen de zin)
  33. het hachje erbij inschieten (=zelf sterven aan de gevolgen van een actie)
  34. het is niet iedereen gegeven ajuin met droge ogen te schillen (=niet iedereen doet het onaangename met de glimlach)
  35. het is niet overal zomer waar de zon schijnt. (=schijn bedriegt)
  36. het schip ingaan (=groot risico nemen, leidend tot verlies)
  37. het verschil tussen mijn en dijn niet kennen (=stelen)
  38. het zinkende schip verlaten (=ervandoor gaan als de zaak misgaat)
  39. hooi als de zon schijnt (=je moet de gelegenheid gebruiken als die zich voordoet)
  40. hooien als de zon schijnt (=van de gunstige gelegenheid gebruik maken)
  41. iemand aanschieten (=iemand aanspreken)
  42. iemand in de ogen schijnen (=iemand hinderen)
  43. iemand wel kunnen schieten (=zich bijzonder ergeren aan iemand)
  44. iets in zijn schild voeren (=iets van plan zijn, een geheim hebben, stilzwijgend een plan uitvoeren)
  45. in de ogen schijnen/steken (=hinderlijk zijn, ergeren)
  46. in de roos schieten (=het precies goed raden/doen)
  47. in der minne schikken (=zonder verder geruzie bijleggen)
  48. in het achterschip geraken (=in zaken achteruit gaan)
  49. in het zicht van de haven schipbreuk lijden (=op het laatste nippertje nog verliezen)
  50. in zijn schik zijn (=blij en opgewekt zijn)

107 betekenissen bevatten `schi`

  1. als het in de kajuit regent ,druipt het in de hut (=als de baas problemen heeft, krijgen ook de ondergeschikten hun deel)
  2. als het hek van de dam is lopen de varkens in het koren (=als er geen toezicht is springen kinderen of ondergeschikten uit de band)
  3. als de kat van honk is dansen de muizen op tafel (=als er geen toezicht is, doen de ondergeschikten hun zin)
  4. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  5. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  6. twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
  7. de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
  8. die haring braadt niet (=dat (meestal geniepige) plannetje schijnt niet te lukken)
  9. dat gaapt zo wijd als een oven (=dat is hoogst onwaarschijnlijk)
  10. dat gaapt als een oven (=dat is onwaarschijnlijk)
  11. de wind eronder hebben (=de ondergeschikten hebben angst)
  12. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  13. er de wind onder hebben (=de schrik erin hebben zitten bij ondergeschikten)
  14. tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverschillen om goed te kunnen samenwerken)
  15. tegen de muur zetten (=doodschieten)
  16. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  17. de bout op de kop krijgen. (=een geschil verliezen)
  18. een slok op een borrel schelen (=een groot verschil maken)
  19. een verschil van dag en nacht. (=een heel groot verschil.)
  20. de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelschieten)
  21. tweede viool spelen (=een ondergeschikte rol spelen.)
  22. een pilaarbijter (=een zeer schijnheilig / hypocriet persoon)
  23. er voor in de wieg gelegd zijn (=er zeer geschikt voor zijn)
  24. er voor geknipt zijn (=er zeer geschikt voor zijn)
  25. vorderen als een luis op een teerton (=erg moeizaam opschieten)
  26. korte rekeningen maken lange vriendschappen. (=financiële geschillen moet je direct oplossen)
  27. geen poot aan de grond kunnen krijgen (=geen schijn van kans blijken te hebben)
  28. als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan (=genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is)
  29. op goede voet staan met iemand (=goed kunnen opschieten)
  30. in Rome geweest zijn, maar de Paus gemist hebben (=het belangrijkste laten schieten)
  31. de haring over de kop varen (=het doel voorbijschieten)
  32. de breedste riemen worden uit andermans leer gesneden (=het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over wat een ander toebehoort)
  33. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
  34. of men van de kat of de kater gebeten wordt (=het maakt geen verschil)
  35. het zal me worstwezen (=het maakt voor mij geen enkel verschil)
  36. het is kermis in de hel (=het regent terwijl de zon schijnt)
  37. een eitje met iemand te pellen hebben (=hetzelfde als: een appeltje met iemand te schillen hebben. Nog iets met iemand moeten oplossen.)
  38. ieder vist op zijn getij (=iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik)
  39. iemand doodverven met iets (=iemand bestemd voor een post achten, iemand als de dader van iets afschilderen (doodverf is grondverf)[1])
  40. iemand de ogen verblinden (=iemand door uiterlijke schijn misleiden)
  41. iemand vol lood pompen (=iemand genadeloos neerschieten)
  42. iets achter de hand hebben (=iets ter beschikking hebben voor wanneer het nodig mocht zijn (bv nood))
  43. in zwang komen / raken (=iets wordt een modeverschijnsel)
  44. het uitproesten (=in een plotse lachbui schieten)
  45. het zijn niet al ridders die sporen dragen (=je kunt niet alleen aan iemands uiterlijk afleiden of hij ergens geschikt voor is)
  46. twist verkwist. (=je schiet niets op met ruzie maken)
  47. met twee monden praten (=jezelf tegenspreken in verschillende situaties, niet eerlijk zijn)
  48. op stootgaren liggen (=klaarliggen om in actie te schieten)
  49. je kaarten op tafel leggen (=laten weten over welke middelen je beschikt om iets gedaan te krijgen)
  50. omstaan leren (=leren schikken naar de wensen en bevelen van een ander)

Eén dialectgezegde bevat `schi`

  1. een bind perd kan ter hin schi doen (=rommeltje) (Zeeuws)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen