Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

14 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `pier`

  1. altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen worden)
  2. de kwaaie pier (=de schuldige)
  3. de spiering doet de kabeljauw afslaan (=veel slechte waar op de markt doet de prijzen van de goede waar dalen)
  4. een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
  5. een keel als schuurpapier hebben (=een erg droge keel (keelpijn) hebben)
  6. een papieren zoldertje (=een dunne ijskorst)
  7. een spiering is vis als er anders niet is (=als je honger hebt, ben je niet kieskeurig / bij gebrek aan beter)
  8. een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen (=iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots terug te krijgen)
  9. geen spier vertrekken (=zonder enige emotie over zich heen laten gaan)
  10. goede papieren hebben (=de goede eigenschappen hebben (voor een baan))
  11. in de papieren lopen (=duur uitkomen, veel geld kosten)
  12. op een papieren zoldertje lopen (=grote risico`s nemen)
  13. papier is geduldig (=men kan veel schrijven)
  14. zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt)

Eén betekenis bevat `pier`

  1. iets zwart op wit hebben (=het op papier hebben staan)

Het dialectenwoordenboek kent 25 spreekwoorden met `pier`

  1. Sin tunnis: Goed ete anders gaode in het pierekuuleke (=Je moet goed eten anders ga je in het pierengaatje)
  2. Lummens: Ich mot nog pieringen vange om goén te veschen (=Ik moet nog pieren vangen om te gaan vissen.)
  3. Antwerps: God en klein pierke (=iedereen)
  4. Schijndels: Peuren (=Vissen met een tros pieren)
  5. Munsterbilzen - Minsters: zoe daud asne piering (=morsdood)
  6. Gents: noar Bataclava zijn, bij Kiekepuut, bij pierlala (=dood zijn)
  7. Ronsisch: hie ka lieghen lijnk e pierd scheiten (=Een grote leugenaar)
  8. Venloos: Dae kan de pierikke hure hooste (=Hij is dood)
  9. Munsterbilzen - Minsters: zoe daud asne piereng (=taal noch teken geven)
  10. Gents: pierewoaje (=een stapke in de wereld zetten)
  11. Berchems: ie versto nog appels, nog piern (=hij begrijpt er niets van)
  12. Amies: Die vrouw huurt de pieringe hooste in Ingeland (=Die vrouw is erg krenterig)
  13. Munsterbilzen - Minsters: waajen hin opne piering vliege (=snel handelen)
  14. Genneps: zo vol als un potje mit piere (=tjok-, bom-, eivol)
  15. Bilzers: iemes de pierenge autzen noës haole (=iemand uitvragen tot op zijn hemd)
  16. Gents: maan kluutte, pieroo! (weert mier gebruikt buite 't stad - an de Muije of op de Brugse Puurte, ' t Van Beeversplain, ba 't gemien volk ) / mein uure pieroo / kbein nie takoort mee eu (=ik ben het niet met u eens)
  17. Munsterbilzen - Minsters: iemed de pieringe autte naos haole (=iemand tot op zijn hemd uitvragen)
  18. Wetters: zu duud as een piere (=er zit geen leven meer in)
  19. brabants: D' urste krèij vêngt de piere. (=De morgenstond heeft goud in de mond)
  20. Munsterbilzen - Minsters: ich kos mich van piere sjangering wol on de kop howe (=ik was boos op mezelf)
  21. Schijndels: piere döppe (=Met een riek wormen uit de grond halen)
  22. tervurens: er stoet ne gruute pierelier vauj ne giele gievel in de pieperstroet: er staat een grote pereboom voor de gele gevel in de peperstraat. (=typevoorbeeld van tervuursdialect wegens de vele i's)
  23. Drents: 't Is net pier en Pol (=een paar apart)
  24. Gents: van pier noar Pol gezonde zein (=van het kastje naar de muur gestuurd)
  25. Barghs: `Now goa-k d'r aan`, zei de pier tegen de haan. En toen had-e n'm al half opgegeate. (=Het is te laat daar nog iets aan te doen.)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen