Let op: Spelling van 1858 marital, Fr., maritalis, Lat., hetgeen tot eenen echtgenoot en zijne regten behoort. Maritale magt, maritatis potestas, Lat., de magt van den man over de vrouw
1) Uitgaande van de echtgenoot 2) Door de echtgenoot
van de echtgenoot (toon de herkomst via de etymologiebank)