• wat Jantje is zal Jan worden. (=wel ouder worden maar dezelfde streken houden) • Jantje lacht en Jantje huilt (=kind dat vaak huilt maar direct ook weer lacht) • Jantje Contrarie (=iemand die nooit akkoord is) • een slap jantje zijn (=een sukkel zijn) Naar de spreekwoorden
'Jantje' is de verkleinvorm van de naam Jan, die op zijn beurt weer een afkorting is van de naam Johannes. De naam Jantje was vroeger ook gebruikelijk als meisjesnaam, als afkorting van Johanna.
(Bargoens, 1914) tientje
[Let op: Spelling en uitleg uit 1890] (Bargoens), jaar.
[Bargoens, boeventaal] jaar. Hij was pas ontslagen van 2 jantjes.