Spreekwoorden met `mon`

Zoek

50 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` mon`

  1. beter hard geblazen dan de mond gebrand (=het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid iets fout gaat)
  2. bij nacht zijn alle katjes grauw en alle mondjes even nauw (=als het erop aankomt zijn we allen gelijk)
  3. bitter in de mond maakt het hart gezond (=ook wat minder aangenaam is, kan gezond of goed zijn)
  4. dat gaat zo tussen neus en mond (=dat gebeurt in een verloren ogenblik)
  5. dat ligt hem in zijn mond bestorven (=daar spreekt hij veel over)
  6. de kap maakt de monnik niet (=aan het uiterlijke kan men het innerlijke niet beoordelen)
  7. de mond roeren (=van zich laten horen, spreken)
  8. de mond snoeren (=tot zwijgen brengen)
  9. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer werk verrichten)
  10. de woorden uit de mond halen/nemen (=zeggen wat de ander ook net wou zeggen)
  11. een goed mondstuk hebben (=goed kunnen spreken)
  12. een grote mond hebben/opzetten (=brutaal zijn)
  13. een mond als een hooischuur (=een grote of erg brutale mond)
  14. een paard met een zachte mond moet men met zachte toom besturen. (=zachtaardige mensen moet men niet streng behandelen)
  15. een veer van zijn mond kunnen blazen (=nog niet totaal uitgeput zijn)
  16. er de mond vol van hebben (=praten over de zaken die iemand bezighouden)
  17. er is nog nooit een kok gevonden die koken kan voor alle monden (=je kunt het niet iedereen naar de zin maken)
  18. er zijn mond niet aan vuil maken (=er niets over willen zeggen)
  19. gebraden duiven vliegen niemand in de mond (=je krijgt niets zomaar (zonder er enige moeite voor te doen))
  20. geen blad voor de mond nemen (=precies zeggen hoe er over iets gedacht wordt)
  21. geen mond open doen (=niets zeggen)
  22. geen veer van de mond kunnen blazen (=heel zwak zijn, heel arm zijn)
  23. gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
  24. goed je mondje kunnen roeren (=er goed voor zorgen dat je mening wordt gehoord)
  25. het is monnikenwerk (=een saaie, harde, langdurige taak)
  26. het smelt als boter in de mond (=(van eten) het is erg mals)
  27. het water loopt hem in de mond (=hij heeft er heel veel trek in)
  28. het zijn niet allen monniken die kappen dragen (=schijn bedriegt, je kunt je in mensen vergissen)
  29. iemand de brokken in de mond tellen (=iemand iets helemaal niet gunnen)
  30. iemand de mond snoeren (=iemand verbieden iets te zeggen / tot zwijgen brengen)
  31. iemand de pap in de mond geven (=iemand een gemakkelijke oplossing zomaar aanbieden)
  32. iemand de woorden uit de mond halen (=voor een ander spreken)
  33. iemand een vuile mond geven (=iemand uitschelden)
  34. iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien)
  35. iemand honing om de mond smeren (=tegen iemand aardige dingen zeggen/vleien om iets gedaan te krijgen)
  36. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  37. iemand naar de mond praten (=vleien en vriendelijk zijn om iets gedaan te krijgen)
  38. iets uit zijn mond sparen (=iets niet opeten)
  39. je moet een gegeven paard niet in de mond kijken (=je moet niet te kritisch zijn over cadeaus, of koopjes)
  40. je mond voorbij praten (=meer zeggen dan dat er gezegd mag worden en/of het verklappen van een geheim)
  41. koud en heet uit één mond blazen. (=verschillende standpunten innemen om zijn eigen belangen te dienen)
  42. lachende monden, bijtende honden. (=mensen die vriendelijk of aardig lijken, kunnen in werkelijkheid kwade bedoelingen hebben)
  43. los in de mond zijn (=zichzelf goed kunnen uitdrukken en gedachten kunnen verwoorden)
  44. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  45. met twee monden praten (=jezelf tegenspreken in verschillende situaties, niet eerlijk zijn)
  46. niet op zijn mondje gevallen zijn (=precies duidelijk maken hoe iemand over iets denkt)
  47. tussen lepel en mond valt veel pap op de grond (=problemen komen vaak pas op het laatst)
  48. waar het hart vol van is, loopt/vloeit/stroomt de mond van over (=waar men heel erg mee bezig is, daar wil men over praten)
  49. zijn mond gaat als een lazarusklep (=hij spreekt altijd)
  50. zo de abt, zo de monniken (=medewerkers gedragen zich net zoals hun leidinggevende)

12 betekenissen bevatten ` mon`

  1. het ene woord haalt het andere uit (=als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug)
  2. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  3. het gras voor de voeten wegmaaien (=de woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  4. een bek als een hooischuur hebben (=een grote mond hebben)
  5. je sluis openzetten (=een grote mond zetten)
  6. een mond als een hooischuur (=een grote of erg brutale mond)
  7. het gelijk van de vismarkt hebben (=iemand die (altijd) probeert men een grote mond zijn gelijk te krijgen)
  8. zo de wind waait, waait zijn jasje (=iemand zonder principes, die zonder eigen mening anderen naar de mond praat)
  9. zo gesloten zijn als een oester (=je mond niet opendoen en een geheim bewaren)
  10. horzels steken niet en hommels doden niet. (=mensen met een grote mond dragen het minste bij)
  11. gapen als een oester (=met de mond wijd open geeuwen)
  12. een toontje lager zingen (=minder opscheppen, minder grote mond hebben)

Eén dialectgezegde bevat ` mon`

  1. men uër (=dat zie je van hier, mon oeil) (Meers)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen