zigzaggen

werkw.
Uitspraak:  zɪxsɑxə(n)]
Vervoegingen:  zigzagde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gezigzagd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

vooruitgaan door eerst naar links, dan naar rechts, dan weer naar links, enzovoort te gaan
Voorbeelden:  `over de skibaan zigzaggen`,
`zigzaggende bliksemflitsen`,
`Een dronken automobilist zigzagde stapvoets over de dijk.`

© Kernerman Dictionaries.

2 definities op Encyclo
  1. je verplaatsen langs een lijn die van links naar rechts loopt vb: hij zigzagde door het verkeer naar de overkant
  2. 1) In z-vorm heen en weer gaan 2) Slingeren 3) Slingerend rijden
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
zigzaggen

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `zigzaggen`.