de zeispreuk
zelfst.naamw.
| Verbuigingen: | zeispreuken |
| Verbuigingen: | zeispreukje |
een apologisch gezegde met zelfspot, vaak in de vorm van een bekend gezegde met een ironische toevoeging waarin het woord zei voorkomt Bron: WikiWoordenboek.
2 definities op Encyclo
- (zeispreuk of apologisch spreekwoord) Term op het terrein van de beeldspraak voor een spreekwoord dat aan een persoon in de mond gelegd wordt. Het bevat een apoloog (een kort, soms allegorisch, vertelsel, of een anekdote met een moraal) en is dus verwant aan de allegorie en aan de anekdote. Bijv.
- •een apologisch gezegde met zelfspot, vaak in de vorm van een bekend gezegde met een ironische toevoeging.
Toon uitgebreidere definitiesVraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat betekent zeispreuk?
'een apologisch gezegde met zelfspot, vaak in de vorm van een bekend gezegde met een ironische toevoeging waarin het woord zei voorkomt'
Hoe spel je zeispreuk?
zeispreuk spel je Z E I S P R E U K Op andere websites
Zoek zeispreuk in het
Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek zeispreuk op
Google
Zoek zeispreuk op
Woordenlijst.org
Zoek zeispreuk in de woordenboeken van het
Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek zeispreuk op
Wikipedia