twirlen

werkw.
Afbreekpatroon:  'twir - len
Herkomst:  «Engels
Vervoegingen:  twirlde (verl.tijd )
Vervoegingen:  getwirld (volt.deelw.)

bewegingen maken met een baton (stokje of stick) sport
Voorbeeld:  `Majorettes twirlen terwijl ze achter de drumband aan lopen.`
Synoniem:  jongleren met een stokje


1 definitie op Encyclo
  1. 1) Jongleren op muziek met een stok 2) Soort jongleren
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
twirlen (met de staf jongleren door majorettes)