transformen

werkw.
Afbreekpatroon:  'trans - for - men
Herkomst:  «Engels
Vervoegingen:  transformde (verl.tijd )
Vervoegingen:  getransformd (volt.deelw.)

een andere gedaante (laten) aannemen
Voorbeeld:  `hij transformde van een vriendelijke man in een agressieve kerel`
Synoniem:  transformeren