toga

zelfst.naamw. (de)
Verbuigingen:  toga's
Verbuigingen:  togaatje

ceremonieel kledingstuk voor professor, advocaat en rechter
Voorbeeld:  `Toen de rechter zijn toga uitdeed werd hij een veel minder indrukwekkende verschijning.`


Bron: WikiWoordenboek.

Synoniemen
ambtsgewaad ambtskleden ambtskleed ornaat robe toog

13 definities op Encyclo
  1. Zwart gewaad dat wijd uitloopt en samen met de bef de beroepskleding vormt van de advocatuur en de rechterlijke macht.
  2. Let op: Spelling van 1858 in navolging der oude Romeinen, eene soort van mansovermantel; de ambtsdragt van overheidspersonen enz
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (-as), soort wijd overkleed, mantel, ambtsgewaad (van regters, advokaten enz.).
  4. Ambtsgewaad. Wijde liturgische mantel met wijde mouwen, gedagen door de predikant.
  5. Rechters, officieren van justitie, griffiers en advocaten dragen tijdens zittingen een zogenoemde toga met witte bef. De toga dient hier om onderscheid te voorkomen in kl...
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
toga (ambtskleed)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `toga`.