thuishoren

werkw.
Uitspraak:  [ˈtœyshorə(n)]
Vervoegingen:  hoorde thuis (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft thuisgehoord (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

ergens je eigen plek hebben
Voorbeeld:  `Ik hoor hier thuis.`
Welk woord hoort in dit rijtje niet thuis?  (welk woord past niet in dit rijtje?)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
behoren horen

1 definitie op Encyclo
  1. 1) Behoren 2) Horen
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 97% van de Nederlanders en 97% van de Vlamingen het woord `thuishoren`.