teren op

werkw.
Uitspraak:  [terə(n) ɔp]
Vervoegingen:  teerde op (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geteerd op (volt.deelw.)

1) leven van
Voorbeeld:  `eerder ophouden met werken en teren op je spaargeld`

2) genoeg hebben aan
Voorbeelden:  `al jaren teren op oude roem en geen nieuwe liedjes meer uitbrengen`,
`lang teren op mooie vakantiefoto's`

© Kernerman Dictionaries.