• uitgeteld zijn (=vermoeid zijn, niet meer verder kunnen) • uitgesteld is niet vergeten. (=uitstel is nog geen afstel) • getelde schapen lopen het hok uit. (=exact alles van tevoren weten) • dat zit gebeiteld (=dat komt in orde) • als David zijn volk telde verloor hij de strijd (=tel de winst pas uit bij het einde van de strijd) Naar de spreekwoorden