stikken van

werkw.
Uitspraak:  [ˈstɪkə(n) vɑn]
Vervoegingen:  stikte van (verl.tijd enkelv.)

1) (van iets) heel veel hebben
Voorbeeld:  `Ik stik van het geld.`

2) <dit zeg je als je het vervelend vindt dat er erg veel zijn van dingen of dieren>
Voorbeelden:  `Het stikt hier van de vliegen.`,
`Dit opstel stikt van de fouten.`
Synoniemen:  sterven van, krioelen van

© Kernerman Dictionaries.