de stiefbroer

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  ['stifbrur]
Verbuigingen:  stiefbroer|s (meerv.)

zoon van je stiefvader of stiefmoeder uit een eerdere relatie dan die met je eigen ouder
Voorbeeld:  `Mijn vader is hertrouwd met een vrouw die twee zoons had, waardoor ik nu twee stiefbroers heb heb.`

© Kernerman Dictionaries.

1 definitie op Encyclo
  1. 1) Famillielid 2) Halfbroer
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `stiefbroer`.