sleutels
zelfst.naamw.
| Verbuigingen: | sleutel (enkelv.) |
instrumenten om sloten mee te openen | Voorbeeld: | `Hij verloor zijn sleutels en kon niet naar binnen.` | |
4 definities op Encyclo
- Uit `De lagere vaktalen: De spinners-en weverstaal` 1914 spiervormige houtjes, die in de oogen der scheeden worden gesmeten, om de ramen goed aan de scheeden te sluiten.
- 1) Oplossingen
- Handgereedschap dat bestaat uit een handvat met aan één kant een bek, dat wordt gebruikt voor het draaien of vasthouden van bouten, moeren, buizen of fittingen. De bek kan verstelbaar zijn of voorgevormd voor een object van een bepaalde grootte,
- symbool om iets te kunnen binden of ontbinden of iets te kunnen sluiten of ontsluiten. Twee gekruiste sleutels zijn vaak het symbool voor het hebben van toegang tot zowel de wereld van de levenden als die van de doden. Deze toegang geeft dan een inzicht dat gewone stervelingen niet hebben
Toon uitgebreidere definitiesVraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat betekent sleutels?
'instrumenten om sloten mee te openen'
Hoe spel je sleutels?
sleutels spel je S L E U T E L S Op andere websites
Zoek sleutels in het
Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek sleutels op
Google
Zoek sleutels op
Woordenlijst.org
Zoek sleutels in de woordenboeken van het
Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek sleutels op
Wikipedia