schommelen

werkw.
Uitspraak:  [ˈsxɔmələ(n)]
Vervoegingen:  schommelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geschommeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) heen en weer gaan op een schommel
Voorbeeld:  `De wip vindt hij eng, maar schommelen wil hij wel.`

2) (van getallen) afwisselend hoger en lager zijn
Voorbeelden:  `schommelende beurskoersen`,
`De prijs schommelt rond de tweehonderd euro.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
deinen fluctueren heen en weer zwaaien slingeren waggelen wiebelen wiegen

5 definities op Encyclo
  1. echt Nederlandsche handelswoorden (1914):op en neergaan van prijzen, koersen.
  2. heen en weer zwaaien terwijl je op een schommel zit vb: Lev gaat in de speeltuin altijd schommelen heen en weer of op en neer gaan vb: toen we instapten, schommelde de bo...
  3. •op een schommel heen en weer bewegen. •op en neer bewegen.
  4. 1) Beieren 2) Bengelen 3) Bungelen 4) Deinen 5) Fluctueren 6) Heen en weer bewegen 7) Kindervermaak 8) Klutsen 9) Kwikkelen 10) Manier van lopen 11) Oscilleren 12) Schudd...
  5. (zich) heen en weer bewegen Jaar van herkomst: 1501-1550 (WNT schommelen I )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. schommelen ( zich heen en weer bewegen)
  2. schommelen (schoonmaken, keukenwerk verrichten)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `schommelen` kennen.