I de (m)/het rubber

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [ˈrʏbər]

elastisch natuurproduct waarvan bijvoorbeeld autobanden worden gemaakt


II rubber

bijv.naamw.
Uitspraak:  [ˈrʏbər]

gemaakt van rubber (1)
Voorbeeld:  `rubber laarzen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
elastiek gummi

Taaladvies
Rubberen / rubber: Wat is het juiste bijvoeglijk naamwoord van rubber: rubberen of rubber?

Intensiveringen
Hoe kun je met rubber een ander begrip versterken?
flexibel als rubber; taai als rubber;

15 definities op Encyclo
  1. Macromoleculaire stoffen (polymeren) van natuurlijke of synthetische oorsprong, zoals latex (polyisopreen), neopreen (polychloropreen), SB-rubber (styreen-butadieen copol...
  2. engelse vertaling: rubber duitse vertaling: Radiergummi Groepen: polymeren , rubbers Natuurlijk rubber wordt gewonnen uit planten en bomen. De commerciële bron is de rub...
  3. Let op: Spelling van 1858 zie Robber
  4. Let op: Spelling van 1914 Zie HEVEA en PLANTAGE-RUBBER.
  5. vooral te vinden op Java en Sumatra. Vanaf 1910 wordt de vraag steeds groter door de opkomst van de 'automobiel'. In Brazilië groeide de 'Hevea brasiliensis'. In 1876 br...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met rubber:
rubberachtigrubberboomrubberbootrubberenrubberlaarsrubberplantage

Deze woorden eindigen op rubber:
schuimrubberpararubber

Herkomst volgens etymologiebank.nl
rubber (elastisch product, gummi)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `rubber` kennen.