poloën

werkw.
Afbreekpatroon:  ` po - lo - ën
Herkomst:  «Engels
Vervoegingen:  polode (verl.tijd )
Vervoegingen:  gepolood (volt.deelw.)

polo spelen sport
Voorbeeld:  `een gewaagde ploeg waar goed tegen te poloën is`


Deze woorden eindigen op poloën:
waterpoloën