peuteren

werkw.
Uitspraak:  ['pøtərə(n)]
Vervoegingen:  peuterde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gepeuterd (volt.deelw.)

1) met je vinger ergens aan of in pulken of plukken
Voorbeeld:  `neuspeuteren`
Synoniem:  frunniken

2) je als een peuter gedragen
Voorbeeld:  `kinderen moeten lekker kunnen peuteren en kleuteren voor ze gaan leren lezen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
friemelen pielen pulken

3 definities op Encyclo
  1. met je vingers of iets anders ergens in wroeten vb: hij zat natuurlijk weer in zijn neus te peuteren Synoniem: wriemelen
  2. 1) Afpulken 2) Beuzelen 3) Debbelen 4) Foeteren 5) Friemelen 6) Frunniken 7) Futselen 8) Knorren 9) Koteren 10) Krabbelen 11) Kruimelen 12) Lutteren 13) Mieren 14) Moeren...
  3. wroeten in Jaar van herkomst: 1469 (HWS )
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op peuteren:
lospeuterenpietepeuterenneuspeuteren

Herkomst volgens etymologiebank.nl
peuteren (met vinger of spits voorwerp wroeten, frunniken e.d.)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `peuteren`.