de ouderling

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  ['ɑudərlɪŋ]
Verbuigingen:  ouderling|en (meerv.)

1) bejaarde man of vrouw
Voorbeeld:  `een ouderlingentehuis`

2) persoon die deel uitmaakt van een kerkenraad religie
Voorbeeld:  `Niet alle ouderlingen waren aanwezig op de vergadering van de kerkenraad.`

© Kernerman Dictionaries.

5 definities op Encyclo
  1. [Godsdienst] Hij is verantwoordelijk voor de opbouw van de gemeente
  2. [Belgisch Nederlands] bejaard persoon
  3. [Levensbeschouwing] Persoon met bepaalde functies binnen een kerk (kerkraad)
  4. 1) Functie in de protestantse kerk 2) Kerkbestuurder 3) Kerkelijk bestuurder 4) Kerkenraadslid 5) Lid van de kerkenraad 6) Lid van een kerkenraad 7) Lid van de kerkeraad ...
  5. Ouderling is een kerkelijk ambt. De christelijke kerk wordt door ambten gediend. Al in Bijbelse tijden was er sprake van oudsten, die onder leiding van een opziener de k...
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
ouderling (toezichthouder binnen de protestantse kerk)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 96% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `ouderling`.