omgaan met

werkw.
Uitspraak:  ɔmxan mɛt]
Vervoegingen:  ging om met (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is omgegaan met (volt.deelw.)

1) regelmatig vriendschappelijk contact hebben met (mensen)
Voorbeeld:  `al twintig jaar met elkaar omgaan`

2) je gedragen in reactie op (dingen of moeilijkheden)
Voorbeelden:  `voorzichtig omgaan met een laptop`,
`niet met de ziekte van zijn vader kunnen omgaan`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
verkeren