Spreekwoorden: (1914) Zijn natje en zijn droogje lusten, d.w.z. goed kunnen eten en drinken, veel van drank en spijs houden. In de 16<sup>de<-sup> eeuw bij A. Bijns: Zy mach haer drooghe wel, en niet min haer natte (Leuv. Bijdr. IV, 324); Sart. II, 3, 84: Hy mach sijn drooghjen wel, ende sijn natj...