de monocultuur

zelfst.naamw. (v.)
Uitspraak:  ['monokʏltyr]
Verbuigingen:  monocul|turen (meerv.)

cultuur waarin slechts één variëteit voorkomt
Voorbeelden:  `Door de invoering van de monocultuur van bananen voor de export, is de lokale voedselproductie sterk teruggelopen.`,
`De politieke monocultuur in Latijns-Amerika lijkt doorbroken te zijn.`

© Kernerman Dictionaries.

9 definities op Encyclo
  1. • [landbouw] landbouw met één gespecialiseerd gewas. • [sociologie] eenzijdige samenstelling van mensen, producten of diensten binnen een samenleving.
  2. Het verbouwen van slechts één gewas. Als dan de wereldprijs voor dit product daalt, kan dat een klap zijn voor de economie van het land. Tegenovergestelde : polycultuur...
  3. Het in grote gebieden verbouwen van maar één soort gewas.
  4. landbouw met slechts één gespecialiseerd gewas
  5. het voortdurend verbouwen van één product
Toon uitgebreidere definities