I marren

werkw.
Afbreekpatroon:  mar - ren
Vervoegingen:  marde (verl.tijd )
Vervoegingen:  gemard (volt.deelw.)

talmen, treuzelen, dralen, aarzelen
Voorbeeld:  `zonder marren alle taken uitvoeren`


II marren

werkw.
Afbreekpatroon:  mar - ren

binden, vastmaken, vasthechten scheepvaart


4 definities op Encyclo
  1. [Vergeten woorden] (zw. -de) belemmeren, hinderen, pijn doen [= Engels mar]
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik marde, heb gemard), talmen, dralen. ~, [bedrijvend werkwoord] binden, vastleggen, vastmaken.
  3. 1) Aarzelen 2) Dralen 3) Talmen 4) Wachten
  4. woord uit 1812, uitleg bij teksten van E.J. Potgieter (1808 - 1875) aarzelen.
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. marren (dralen)
  2. marren (vastleggen)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 16% van de Nederlanders en 17% van de Vlamingen het woord `marren`.