langslopen

werkw.
Uitspraak:  ['lɑŋslopə(n)]
Vervoegingen:  liep langs (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is langsgelopen (volt.deelw.)

1) voorbij iets of iemand lopen
Voorbeelden:  `Ik ben er gisteren toevallig langsgelopen.`,
`Jammer dat de spoorlijn zo vlak achter het huis langsloopt.`

2) (de onderdelen van een reeks) een voor een aandacht geven
Voorbeeld:  `alle vragen van een formulier langslopen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanlopen passeren

1 definitie op Encyclo
  1. 1) Aanlopen 2) Passeren
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 98% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `langslopen`.