| Uitspraak: | [kron] |
| Verbuigingen: | kronen (meerv.) |
| Voorbeeld: | `een koningin met een kroon` |
| Voorbeeld: | `Tandarts, mijn kroon zit een beetje los.` |
| Voorbeeld: | `Je kunt er met kronen of met euro's betalen.` |
| Voorbeeld: | `door de kroon benoemd zijn` |
| de kroon spannen | (in een ranglijst bovenaan staan) |
