de koter

zelfst.naamw. (m.)
Verbuigingen:  koters
Verbuigingen:  kotertje

kind, een klein kind
Voorbeeld:  `Vermoeiend is het wel met die kotertjes op stap.`


Bron: WikiWoordenboek.

4 definities op Encyclo
  • Kleine boer, keuterboer. O.a. in Friesland de eigenaar-pachter van een klein bedrijfje, die als bijverdienste bij de grotere boeren werkte als koemelker. In Drente sprak ...
  • jong kind
  • Bargoens: kind Jaar van herkomst: 1860 (WNT )
  • 1) Jong kind 2) Kind 3) Kind (barg.) 4) Kind (bargoens) 5) Kind (volkstaal) 6) Kind bargoens 7) Kind in de puberteit 8) Klein kind 9) Kleuter 10) Pijpuithaler
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met koter:
    koterdekoterdenkoterenkoterskotert

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. koter (kind)
    2. koter (pook)