de huissleutel

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [ˈhœysløtəl]
Verbuigingen:  huissleutel|s (meerv.)

sleutel van de voordeur van je huis
Voorbeeld:  `Ik ben mijn huissleutels kwijt, ik kan mijn huis niet in.`

© Kernerman Dictionaries.

1 definitie op Encyclo
  1. 1) Sleutel van een woning
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `huissleutel` kennen.