haten

werkw.
Uitspraak:  [ˈhatə(n)]
Vervoegingen:  haatte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gehaat (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

intense langdurige vijandschap of afschuw voelen voor (iets of iemand)
Voorbeelden:  `je buurman haten omdat hij je altijd treitert`,
`Ik haat het om naar de tandarts te moeten.`
Antoniem:  houden van

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afkeer hebben liefhebben (antoniem)minnen (antoniem)

5 definities op Encyclo
  1. • [ov] kwade gevoelens jegens iemand koesteren.
  2. een grote afkeer van iets of iemand hebben vb: eerst hield hij van haar, maar nu haat hij zijn ex-vrouw Tegenstellingen: aanbidden vereren verheerlijken
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] (ik haatte, heb gehaat), een afkeer hebben van, - tegen; kwaad gunnen aan. *...TER, m. (-s), v...
  4. 1) Afgrijzen 2) Afkeer hebben 3) Afkeer hebben van 4) Afschuw hebben 5) Afschuw hebben van 6) Diepe afkeer hebben van 7) Een hekel hebben aan 8) Een wrok koesteren 9) Gev...
  5. sterke afkeer voelen Jaar van herkomst: 901-1000 (WPS )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
haten (een diepe afkeer hebben van)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `haten` kennen.