glazen

bijv.naamw.
Uitspraak:  xlazə(n)]

van glas gemaakt
Voorbeeld:  `een glazen deur`
in een glazen huis wonen  (in een positie zijn dat iedereen kan zien wat je doet, waardoor je kwetsbaar bent)
het glazen plafond  (hindernis voor vrouwen om boven een bepaald niveau in de organisatie te komen)

© Kernerman Dictionaries.

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn eigen glazen ingooien (=het voor zichzelf bederven)
• wie in een glazen huis woont moet niet met stenen gooien (=wie schuldig is, moet zich niet laten opmerken)
• in een glazen huis wonen (=iets op zijn kerfstok hebben - schuld hebben)
• hij is op het glazen bruggetje geweest (=hij is in doodsgevaar geweest, op het nippertje ontsnapt)
• gekken en dwazen schrijven hun namen op deuren en glazen (=dwazen doen gekke dingen)
Toon alle 6 spreekwoorden die glazen bevatten

5 definities op Encyclo
  • ruiten, ramen.
  • [Mil. Woordenboek, spelling van 1861 ``Glazen``] Halve uren. Aan boord der schepen is het etmaal verdeeld in 6 wachten (zie Wachten) elk in 8 glazen of halve uren verdeel...
  • •gemaakt van glas.
  • gemaakt van glas vb: hij deed de as in een glazen asbak
  • 1) Pijpen polijsten met agaatsteen 2) Van bepaald materiaal 3) Van een doorzichtig materiaal 4) Van glas gemaakt 5) Van zeker materiaal
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met glazen:
    glazenierglazenwasser

    Deze woorden eindigen op glazen:
    bekerglazenbierglazenborrelglazenchampagneglazendrinkglazenpeilglazenspiegelglazenteruglazentheeglazenverglazenvergrootglazenwaterglazenwaterpeilglazenwijnglazen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. glazen (pijpen polijsten)
    2. glazen (van glas)