I geus

bijv.naamw.

1) behorend tot de Nederlandse opstandelingen tegen koning Philips II in de 16e eeuw

2) protestant


II geus

zelfst.naamw.
Verbuigingen:  geuzen
Verbuigingen:  geusje

1) de geus (m): elk van de edelen van het Verbond (1566) en vijanden van de regering van koning Philips II in de Nederlanden

2) de geus (m): gegoten ijzer in de vorm van een langwerpig blok met schuine zijden, gieteling

3) de geus (m): / kleine vlag met stervormige rood-wit-blauwe banen op de voorplecht van schepen, gehesen op zon- en feestdagen


Bron: WikiWoordenboek.

Spreekwoorden en zegswijzen
• hij zal het wel betalen als de paus geus wordt (=hij zal het nooit betalen)
• dat gebeurt pas als de Paus een geus wordt (=dat gebeurt nooit)
Naar de spreekwoorden

12 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling van 1858 eene verbastering van het Fransche gueux, bedelaar, landlooper; een scheldnaam door de Spanjaarden vroeger aan de Hollanders, en naderhand door ...
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (...zen), bedelaar, landloper; (ned. in de geschiedenis ) scheldnaam der protestanten in den oorlog tegen Spanje. ~, v. (zeew.) kl...
  3. Mil. Woordenboek, spelling van 1861 ``Geus`` Vlag aan den boegspriet geheschen
  4. 1) Boegsprietvlag 2) Boegvlag 3) Boegvlaggetje 4) Deel van een schip 5) Gieteling 6) Gietijzer 7) Klein vlaggetje aan boegspriet 8) Kleine scheepsvlag 9) Kleine vlag op s...
  5. Geschiedenis Calvinistische opstandeling in de Nederlanden tegen Filips II
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op geus:
watergeus

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. geus (een partijnaam)
  2. geus (gieteling)
  3. geus (kleine boegvlag)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 93% van de Nederlanders en 82% van de Vlamingen het woord `geus`.