gaan met

werkw.
Uitspraak:  [xan mɛ(t)]
Vervoegingen:  ging met (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is gegaan met (volt.deelw.)

verkering hebben met
Voorbeeld:  `Hij gaat met de oudste dochter van de buren.`

© Kernerman Dictionaries.

Spreekwoorden en zegswijzen
• gepaard gaan met (=samengaan met)
Naar de spreekwoorden

Deze woorden eindigen op gaan met:
begaan metomgaan met