frisbeeën

werkw.
Afbreekpatroon:  ` fris - bee - ën
Herkomst:  «Engels
Vervoegingen:  frisbeede (verl.tijd )
Vervoegingen:  gefrisbeed (volt.deelw.)

met een frisbee overgooien als tijdverdrijf
Voorbeeld:  `op de camping frisbeeën naar elkaar`


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 95% van de Nederlanders en 93% van de Vlamingen het woord `frisbeeën`.