facen

werkw.
Afbreekpatroon:  'fa - cen
Herkomst:  «Engels
Vervoegingen:  facete (verl.tijd )
Vervoegingen:  gefacet (volt.deelw.)

iets inzien, onder ogen zien
Voorbeeld:  `ze kon niet facen dat zij ontslagen moest worden`
Synoniem:  toegeven aan de waarheid


Deze woorden eindigen op facen:
defaceninterfacen