I cis

bijv.naamw.

niet aan gene, maar aan deze zijde van een dubbele binding of centraal atoom
Voorbeeld:  `In natuurlijke onverzadigde vetzuren zijn alle dubbele bindingen cis.`


II cis

zelfst.naamw. (de)
Verbuigingen:  cissen
Verbuigingen:  cisje

1) een met een halve toon verhoogde toon "
c"
Voorbeeld:  `De toon “cis” klinkt in de getempereerde stemming, gelijk aan de toon “des”.`

2) de grondtoon (tonica) van de “cis-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
Voorbeeld:  `Op de notenbalk van een sonate in cis, staan vier kruisen als voortekens.`

3) de grondtoon van het “cis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
Voorbeeld:  `De drie tonen van het cis-mineurakkoord (symbool: C#m) in grondligging, zijn: cis - e - gis.`


Bron: WikiWoordenboek.

13 definities op Encyclo
  1. COM Internet Services, techniek voor uitwisselen COM-objecten op internet; zie ook
  2. Contact Image Sensor, rij met LEDs, i.p.v. CCD; zie Pc Pro apr 00
  3. Compuserve Information Service Zie CompuServe.
  4. Let op: Spelling van 1858 Lat., aan deze zijde, b.v. cisalpinisch, cisalpijnsch, aan deze zijde der Alpen
  5. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. in de muziek ) verhoogende halve toon. ~, bijwoord aan deze zijde; cisalpijnsch, aan deze zijde der Alpen.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met cis:
Cis-grootCis-grootakkoordCis-grotetertstoonaardCis-grotetertstoonladderCis-grotetertstoonschaalCis-grotetertstoonsoortcis-kleincis-kleinakkoordcis-kleinetertstoonaardcis-kleinetertstoonladderCis-majeurCis-majeurakkoordCis-majeurtoonaardCis-majeurtoonladderCis-majeurtoonschaalCis-majeurtoonsoortcis-mineurcis-mineurakkoordcis-mineurtoonladdercis-mineurtoonschaal
Toon alle woorden die beginnen met cis

Deze woorden eindigen op cis:
narcisdichtersnarcisabscis
Toon alle woorden die eindigen op cis

Herkomst volgens etymologiebank.nl
cis (met een halve toon verhoogde c)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 53% van de Nederlanders en 35% van de Vlamingen het woord `cis`.