brak

bijv.naamw.
Uitspraak:  [brɑk]

(van water) zoet met zout gemengd
Voorbeeld:  `een brakke poel in de duinen`
je brak voelen  (je misselijk en ellendig voelen)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
zout

11 definities op Encyclo
  1. heraldiekteken, hondenkop (pen) met hang of flaporen en uithangende tong
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bijvoegelijk naamwoord] (-ker, -st), zout, zilt; bedorven; - water. ~, m. (-ken), soort jachthond.
  3. een hond, die loopend wild opzoekt en het zoolang op den voet vervolgt tot het geschoten of doodgedreven is. Drijfhond
  4. Water dat zout is, maar met een lagere zoutconcentratie dan zeewater..
  5. met een beetje zeewater erdoor vb: dit water is niet zoet, maar brak
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met brak:
brakenbrakheidbrakingbrakken

Deze woorden eindigen op brak:
onderbrakontbrakverbrakzeebrak

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. brak (jachthond)
  2. brak (zilt)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `brak`.