de bomma

zelfst.naamw. (v.)
Uitspraak:  ['bɔma]
Verbuigingen:  bomma|'s (meerv.)

grootmoeder
Synoniem:  oma

© Kernerman Dictionaries.

4 definities op Encyclo
  1. [Belgisch Nederlands] grootmoeder, oma
  2. 1) Bobonne 2) Familielid 3) Oma
  3. [Vlaamse woorden] (v.) oma (VD)
  4. Vlaams voor het Nederlandse woord ` grootmoeder`
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 22% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `bomma`.