de bluf

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [blʏf]

1) het beweren dat een situatie waarbij je zelf bent betrokken beter is dan hij werkelijk is
Voorbeeld:  `Dat is allemaal bluf, hij heeft zijn school niet eens afgemaakt!`
Synoniem:  opschepperij

2)
Haagse bluf  (paarsroze toetje)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
branie bescheidenheid (antoniem)

4 definities op Encyclo
  1. Spreekwoorden: (1914) Bluf slaan, d.w.z. bluffen, snoeven, pochen, swiet slaan (Draaijer, 50 b; Kmz. 129: Als j'n vijftig pop in je zak heb en swiet kan slaan; Nest 68: H...
  2. 1) Aanstellerij 2) Blague 3) Branie 4) Charlatanerie 5) Dapper 6) Durf 7) Fut 8) Gepoch 9) Grootdoenerij 10) Grootspraak 11) Haagse wind 12) Haagsewind 13) Humbug 14) Kak...
  3. Pokerterm.
  4. Bluf is een Nederlandse filmkomedie uit 2011 en het debuut van regisseur Peter Vlemmix. De hoofdrollen zijn voor Patrick Stoof en Diede Zillinger Molenaar, die de vriend...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met bluf:
bluf afbluffenbluftbluftebluften

Deze woorden eindigen op bluf:
geblufoverblufverbluf

Herkomst volgens etymologiebank.nl
bluf

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `bluf`.