de beroepskracht
zelfst.naamw. (m./v.)
| Uitspraak: | [bə'rupskrɑxt] |
| Afbreekpatroon: | be·roeps·kracht |
| Verbuigingen: | beroepskrachten (meerv.) |
iemand die wordt betaald voor het werk dat hij of zij doet | Voorbeeld: | `De peuteropvang wordt gerund door ouders en enkele beroepskrachten.` | |
| Antoniem: | vrijwilliger |
2 definities op Encyclo
- arbeidsrecht: persoon die beroepshalve een betaalde functie vervult. ...
- persoon die beroepshalve een betaalde functie vervult
Toon uitgebreidere definitiesVraag & Antwoord voor je slimme speaker
Is het 'de beroepskracht' of 'het beroepskracht'?
Het is 'de beroepskracht', want beroepskracht is mannelijk en vrouwelijk. Als je het aanwijst is het 'die beroepskracht'.
Wat is het meervoud van beroepskracht?
Het meervoud van beroepskracht is 'beroepskrachten'. Eén beroepskracht, twee beroepskrachten.
Wat betekent beroepskracht?
'iemand die wordt betaald voor het werk dat hij of zij doet'
Hoe spel je beroepskracht?
beroepskracht spel je B E R O E P S K R A C H T Op andere websites
Zoek beroepskracht in het
Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek beroepskracht op
Google
Zoek beroepskracht op
Woordenlijst.org
Zoek beroepskracht in de woordenboeken van het
Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek beroepskracht op
Wikipedia